LVSV Leuven

Teksten

Artikel van de week: Cultuursubsidies
11 januari 2015
Landscape
Door Kathy Galloy

Moet de overheid bepalen wat cultuur is?

Zowel de Vlaamse als de federale regering zullen de komende jaren moeten besparen en dat zullen we allemaal geweten hebben. De luidste kritieken op deze besparingspolitiek komen onder meer uit de cultuursector, die het gemiddeld met 5% minder middelen zal moeten doen, volgens Vlaams minister van cultuur Sven Gatz. Minder cultuursubsidies zullen volgens de sector leiden tot een verschraling van het aanbod. Toegang tot verschillende soorten cultuur zal worden beperkt en enkel een elite zal het kunnen betalen, zo klinkt het bij monde van de oppositie. Een volgend argument dat ook wordt aangehaald is het feit dat de cultuursector niet zou kunnen overleven mocht de overheid ze niet subsidiëren. Het lijkt wel alsof cultuur in de loop der tijd een basisrecht is geworden waar iedereen toegang toe moet hebben zonder daarenboven er teveel geld aan te moeten uitgeven. Het tegendeel is echter waar.

“Niemand heeft het monopolie op goede smaak. Toch worden subsidies toegekend door commissies die menen dat zijzelf die goede smaak in pacht hebben en bijgevolg kunnen bepalen wat mensen goed horen te vinden.” – Peter De Keyzer

Met het geven van cultuursubsidies, wat inhoudt dat ze slechts aan een beperkt aantal organisaties wordt gegeven, bepaalt de overheid wat goede smaak is, wat cultuur is. Door het geven van financiële middelen aan bepaalde organisaties of evenementen, wil de overheid burgers overtuigen welke cultuur goed voor hen is en vooral welke niet. Wij kunnen namelijk niet zelf bepalen wat we leuk vinden. Het verschaffen van cultuursubsidies is daarom heel subjectief, want is het aan de overheid om te bepalen wat goed voor ons is op cultureel vlak? Dit daarentegen oplossen door de selectiviteit weg te halen is evenmin positief. Op die manier zou iedereen deze subsidies moeten krijgen, want wat is cultuur?

Het achterliggende principe achter cultuursubsidies is dat ze nodig zijn om mensen te kunnen laten kennismaken met cultuur. Een principe dat heel makkelijk kan worden weerlegd door slechts te kijken naar één fenomeen: Rock Werchter. Dit festival is voor hun financiële middelen niet afhankelijk van een overheid en toch blijft het jaar na jaar een recordaantal aan bezoekers halen. Hoe kan dit? Omdat mensen bereid zijn om te betalen voor iets wat ze de moeite vinden.
Een argument dat de cultuursector aanhaalt in het voordeel van cultuursubsidies is dat ze niet zouden kunnen overleven mochten ze niet financieel worden geholpen door de overheid. Ook dit argument valt makkelijk te weerleggen als we gewoon de vrije markt en het daarbij horende principe van vraag en aanbod laten spelen. Laat de burger zelf beslissen waaraan hij zijn geld wil spenderen, want laat ons vooral niet vergeten dat subsidies worden betaald met belastinggeld. Het is niet rechtvaardig om de gehele bevolking te laten opdraaien voor een goed waar slechts enkelen van genieten.

‘Cultuur zal uitgroeien tot een goed waar enkel nog maar de elite gebruik van zal kunnen maken’, klinkt het uit linkse hoek. Zoals in het begin van deze tekst al vermeld is cultuur geen basisrecht, laat staan dat de toegang tot cultuur een verworven recht is geworden. Wie absoluut een operavoorstelling wil bijwonen maar slechts beperkte middelen heeft, zal inderdaad een afweging moeten maken. Als dan blijkt dat de prijzen voor een operavoorstelling over het algemeen te hoog liggen, dan zullen cultuurhuizen zich wel degelijk aanpassen aan de markt en hun prijzen doen zakken. Ook hier speelt het argument mee van vraag en aanbod.

Middelen zijn schaars en geld vormt daar geen uitzondering op. Vandaar dit pleidooi om cultuursubsidies af te schaffen, of op zijn minst terug te dringen. Vandaar dit pleidooi om aan de burger de keuzevrijheid te laten om zelf te kiezen in welke cultuur hij wil investeren. Want geloof het of niet, burgers zijn wel degelijk in staat om zelf keuzes te maken.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Het basisinkomen
4 januari 2015
Basisinkomen
Door Dries De Maesschalck

De laatste tijd wordt er vaak gesproken over de invoering van een universeel basisinkomen. In het tweede semester (academiejaar 13-14) kwam Roland Duchatelet dit idee verdedigen op een Blauwe Maandag, en in Zwitserland kwam het onlangs nog tot een referendum. Hoewel het referendum geen positieve uitslag had (24% voor, 76% tegen) lijkt het idee toch meer en meer aanhang te krijgen, ook binnen liberale kringen. In deze tekst zou ik een paar bedenkingen willen uiten bij het universeel basisinkomen.

Vooreerst moet ik toegeven dat het simpelweg toekennen van een som geld aan iedereen, al dan niet in functie van de leeftijd, een veel minder complex herverdelingsmechanisme is dan hetgeen we nu kennen. Het zou ons gigantisch groot en log staatsapparaat danig kunnen inperken, wat de werkingskost van de overheid zou verminderen en de belastingbetaler een pak geld bespaart. Het is ook een veel minder betuttelende manier om aan herverdeling te doen. Voor mij eindigt hier eigenlijk het positieve verhaal van het universeel basisinkomen. Hoewel ik er niet akkoord mee ben, kan ik de redenering dat een zieke persoon recht heeft op een uitkering van de sociale zekerheid nog enigszins volgen. Maar de redenering dat een persoon recht zou hebben op de vruchten van de arbeid van een andere persoon om de loutere reden dat hij bestáát lijkt mij iets zeer vreemd. Het is een veel sterkere uitholling van het eigendomsrecht – dat wij liberalen toch hoog in het vaandel dragen – dan nu in het huidige systeem het geval is. Dat kinderen zullen opgroeien zonder het idee dat als je iets wil je er maar voor moet werken lijkt mij een zeer slechte zaak.

In liberale kringen wordt al eens het argument aangehaald dat een universeel basisinkomen een soort schadevergoeding kan zijn voor onrechtmatig verkregen eigendom in het verleden. Aangezien sommige eigendommen in het verleden onrechtmatig verkregen zijn, zullen zij die (delen van) deze eigendommen geërfd hebben er beter voor staan dan de nakomelingen van zij die het onrecht hebben ondergaan. Een universeel basisinkomen wordt dan een compensatie voor het onrecht dat in het verleden geschied is. Het grote probleem hiermee is dat men alle rijkdom moet behandelen als onrechtmatig verkregen eigendom. Het is immers een onmogelijke taak om voor iedereen te achterhalen of bij benadeeld dan wel bevoordeeld is door onrecht uit het verleden. Dus belast men iedereen die nu kapitaal bezit, ongeacht of dit rechtmatig of onrechtmatig verkregen is. Ook mensen die op een rechtmatige manier hun rijkdom verworven hebben worden verantwoordelijk gesteld voor het onrecht uit het verleden, het vermoeden van onschuld is hierbij wel erg ver te zoeken. Je kan je dan ook de vraag stellen of we met dit systeem niet meer onrecht introduceren dan we de wereld uithelpen.

Een universeel basisinkomen kan ook gevolgen hebben voor de visie op migratie. Als een bepaalde staat aan iedereen onvoorwaardelijk een uitkering geeft, creëert dat enorme incentives om te migreren naar deze staat, wat een niet te dragen last kan veroorzaken. Er zijn twee mogelijke oplossingen voor dat probleem, de eerste is om toch voorwaarden op te leggen (iets in de trant van “je moet x aantal jaar bijgedragen hebben”) om aanspraak te kunnen maken op een uitkering, maar in dat geval kunnen we niet meer spreken van een universeel basisinkomen. Een tweede optie is een veel strengere migratiepolitiek voeren, het ‘ommuren’ van de welvaartstaat. Het voordeel dat een basisinkomen zou kunnen brengen lijkt mij volledig teniet gedaan door de beperking op de bewegingsvrijheid van individuen. Een liberale migratiepolitiek is er een van vrijheid van beweging, elke maatregel dat dit beperkt dient toch ernstig in vraag gesteld te worden.

We moeten ook skeptisch blijven over de uitvoering van dergelijke ideeën. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat alle bestaande vormen van de sociale zekerheid zullen worden afgeschaft bij het instellen van een universeel basisinkomen. Als het er al komt lijkt het mij eerder iets dat bovenop het reeds bestaande apparaat terecht zal komen. Zelfs als alle bestaande vormen wel verdwijnen zal het basisinkomen nooit een simpel systeem blijven. Roland Duchatelet zei op onze Blauwe Maandag reeds dat hij ook voorstander was van een soort ‘onderwijscheques’ en een verplichte zorgverzekering. Het zal waarschijnlijk niet lang duren eer dit simpele systeem zal uitgroeien tot een systeem dat kan wedijveren met de complexiteit van het huidige.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Vrijheid in de Middeleeuwen
28 december 2014
Bataille_de_Bouvines_gagnee_par_Philippe_Auguste[1]
Door Jan Reyntjes 

Dat de middeleeuwen geen al te beste reputatie hebben is algemeen geweten. Het stereotype beeld van de middeleeuwen als een achterlijke en donkere periode waar bloeddorstige edelen en een corrupte kerk de plak zwaaiden terwijl boeren genadeloos uitgebuit werden en iedereen met ietwat afwijkende ideeën zonder pardon op de brandstapel terecht kwam is iederen welbekend. Hoewel deze clichématige visie op het leven tijdens de middeleeuwse periode reeds tientallen jaren geleden werd bijgesteld door historisch onderzoek, blijft zij desondanks doorleven in het collectieve geheugen.

Dit is echter niet zo verwonderlijk, daar de algemeen aanvaarde en gebruikte historische benamingen voor de periode tussen 500 en 1800 (middeleeuwen, Renaissance, Verlichting) in zich reeds het narratief van een soort heropstanding uit de duisternis dragen. De term ‘Dark Ages’ als synoniem voor de middeleeuwen vindt niet haar oorsprong in de historische realiteit, maar wel in de visie van de humanist Petrarca die alle post-klassieke latijnse literatuur als minderwaardig beschouwde. In realiteit was de breuk tussen de middeleeuwen en de Renaissance helemaal niet zo groot als men graag wil geloven en is deze visie slechts een contructie van 19de eeuwse historici die de idealen uit die periode opnieuw wilden opblinken.

Ondanks het vele historisch onderzoek dat gevoerd is om deze mythes te ontkrachten blijft het idee van een ‘Dark Age’ bestaan. Vanuit deze mythe lijken de middeleeuwen en vrijheid bijna onmogelijk met elkaar te verzoenen. Toch waren gemeenschappen in deze periode doorgaans bloeiend, welvarend en relatief vrij. Deze tekst zal trachten een beter inzicht te geven in de middeleeuwse maatschappij en hun concept van vrijheid. Let wel dat dit concept enigszins verschilt van wat wij in onze hedendaagse liberale democratieën als vrijheid beschouwen. Deze tekst is dan ook niet bedoeld als een apologie van de feodale samenleving, maar eerder als een verduidelijking van deze periode.

Het begrip vrijheid zoals het in het Europa van de middeleeuwen vorm kreeg werd voornamelijk ingevuld als territoriale immuniteit, met andere woorden de vrijheid om over de grondstoffen en middelen van een bepaald gebied te beschikken, en hier gezag uit te oefenen, alsook vrij zijn van bepaalde lasten en verplichtingen. Vrijheid was dus eerder territoriaal gebonden dan persoonsgebonden, waardoor ook hier persoonlijke vrijheid en eigendomsrecht onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Het spreekt voor zich dat in een feodale standenmaatschappij zoals onze voorouders in die periode kenden deze vrijheid voornamelijk voorbehouden was aan de adel en de clerus, maar dit wil echter niet zeggen dat het gewone volk slechts de speelbal was van de elite. Vrije boeren bestonden wel degelijk en konden genieten van hun eigendom zonder dat zij veel verplichtingen hadden tegenover lokale heren. De meerderheid van de middeleeuwse samenleving bestond echter wel uit lijfeigenen, en niet uit vrije burgers. Deze lijfeigenen bewerkten het land van hun heer en waren hem bepaalde diensten verschuldigd. Toch waren zij niet het eigendom van de heer maar waren zij aan het land dat zij bewerkten verbonden, en gingen dus mee over als hun grond werd overgedragen aan een andere eigenaar. Hoewel hun status verre van ideaal was genoten zij toch een relatieve vrijheid. Zij mochten zelf hun landbouwactiviteiten invullen, eigendom verwerven en konden hun rechten afdwingen in speciale rechtbanken. Doorgaans hanteerden feodale heren ook de principes van de redelijkheid bij de omgang met hun lijfeigenen en lieten hen hun gang gaan zolang zij hun belastingen betaalden. Het klassieke verhaaltje dat een heer recht had op de eerste nacht met de bruid van zijn lijfeigenen is dan ook niet meer dan een fabel. Sociale mobiliteit was in deze periode zeldzaam, maar zeker niet onbestaande. Lijfeigenschap was ook niet over heel Europa hetzelfde. In het Westen hadden lijfeigenen doorgaans meer rechten en autonomie dan hun lotgenoten achter de Elbe. Alhoewel lijfeigenschap in onze gewesten pas laat in de 18de eeuw officieel afgeschaft werd, was deze praktijk de facto al lange tijd in onbruik geraakt. In Oost-Europa had men minder geluk, in Rusland leefden boeren nog tot het einde van de 19de eeuw als quasi-slaven. Hierbij moet echter ook vermeld worden dat slavernij in de middeleeuwen, hoewel sporadisch, nog steeds voorkwam.

De voornaamste houders van vrijheden waren zoals eerder gezegd de adel en de clerus. Vaak wordt hierbij verwezen naar de Magna Carta van 1215, waarin de Engelse koning bepaalde vrijheden schonk aan zijn edelen. Het ging hier echter niet om nieuwe vrijheden en privileges, maar eerder om de codificatie van vrijheden en privileges die reeds decenialang tot het Engelse gewoonterecht behoorden en al jaren door de adel toegepast werden. In de middeleeuwen lag de ware macht ook niet bij de vorst, zoals dit ten tijde van het absolutisme wel het geval was, maar bij de adel. Staande legers bestonden immers nog niet waardoor vorsten hun militaire slagkracht noodgedwongen bij hun vazallen moesten halen. Aldus kon een vorst geen al te eigenzinnige koers varen zonder de adel tegen zich in het harnas te jagen, en was hij dus verplicht de relatieve autonomie van zijn vazallen te respecteren.

Ook de kerk genoot een gepriviligeerde positie binnen de feodale maatschappij, want als enige leverancier van zieleheil speelde zij een belangrijke en onmisbare rol voor de middeleeuwse mens. Deze functie, gekoppeld aan het feit dat de kerk, naast de adel, bijna alle grond bezat maakte van haar een bijzonder machtige speler. Tot in de late middeleeuwen wedijverde de Katholieke Kerk met Europese vorsten om invloed en zij had lange tijd een reeële claim om de ultieme vertegenwoordiger van wereldlijke macht op het Europese continent te zijn. Deze strijd tussen kerk en vorst had als resultaat dat geen van beiden ooit de absolute macht in handen kregen. Zowel de adel als de derde stand slaagden er vaak in deze twee rivalen tegen elkaar uit te spelen en verkochten hun steun aan diegene die hen het meeste voordeel kon bieden. Lord Acton merkte al op dat vrijheid ontstaat in het conflict tussen machten.

Op het platteland zwaaiden de adel en de clerus de plak, maar in de prille steden zag het leven er heel anders uit. Vele steden wisten belangrijke vrijheden en privileges te verkrijgen van vorsten, waardoor zij een zeer grote autonomie genoten. Deze autonomie vertaalde zich in een bruisend stadsleven waar de handel en de kunsten floreerden. De vrije steden werden op deze manier de economische en culturele centra van de middeleeuwen, eerder dan de hoven van vorsten. Denk maar aan de Vlaamse steden van Brugge, Gent en Antwerpen, de Hanzesteden of de Italiaanse republieken van Firenze en Venetië. Zij verdedigden hun autonomie ook met hand en tand wanneer deze bedreigd werd, denk maar aan onder andere de Lombardische bond, die door verschillende Noord-Italiaanse steden werd opgericht om zich tegen keizer Frederik Barbarossa te beschermen.

Middeleeuws Europa was dus een bontgekleurd lappendeken van kleine baronieën, graafschappen, hertogdommen en steden, bijeen gehouden door losse allianties en relatief zwakke vorsten die elkaars macht in balans hielden. In dit gedecentraliseerde politieke landschap was de Katholieke Kerk de enige organisatie met macht en invloed op het hele continent. Toch was het uiteindelijk de kerk die de duimen moest leggen tegen de natiestaat, die aan het einde van de middeleeuwen voorgoed op de voorgrond trad als voornaamste drager van politieke macht. Hoe slaagden de Europese vorsten er dan uiteindelijk toch in om hun macht te centraliseren en hun edelen onder controle te krijgen? De ontdekking van buskruit maakte allereerst de militaire aristocratie die de middeleeuwse wereld tot dan toe domineerde overbodig. Iedere ongetrainde boer, uitgerust met een vuurwapen, kon nu immers een ervaren ridder gemakkelijk onschadelijk maken. Ook de machtige kastelen van waaruit de edelen over hun domeinen heersten waren niet opgewassen tegen de kanonnen die hun intrede maakten op het slagveld. Bovendien waren deze nieuwe wapens bijzonder duur, en konden enkel door de rijkste heersers betaald worden. Niet meer in staat om militair te wedijveren met de vorsten kozen de meeste edelen ervoor om hun invloed te behouden door hoge posten te bekleden aan koninklijke hoven, administraties en legers, dit maal in dienst van de staat. Ook de kerk kon deze opmars van de centrale staat niet tegenhouden, zij was immers zelf verzwakt door interne conflicten en de Reformatie.

Uiteindelijk kan men moeilijk stellen dat de middeleeuwse mens echt vrij was. Maar de decentralisatie van politieke macht die kenmerkend was voor die periode bood wel mogelijkheden om kleinschalige bestuurlijke en culturele tradities te ontwikkelen zonder al te veel bemoeienissen van bovenaf, met positieve maar soms ook negatieve resultaten. Hoewel ‘stemmen met de voeten’ in die tijd slechts voor kleine delen van de bevolking was weggelegd en migratie relatief zeldzaam was, bereikten wetenschappelijke, technologische en economische ontwikkelingen toch alle hoeken van het continent. Alles bij elkaar genomen was de middeleeuwse samenleving een stabiele sociale orde waar mensen van een relatieve autonomie en vrede konden genieten door een precaire machtsbalans die niemand toeliet om te sterk te worden.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Bataille_de_Bouvines_gagnee_par_Philippe_Auguste[1]

Artikel van de week: Regelnichten en olijfolie
21 december 2014
Door Arnd De Weirdt 

Regels, welke regels?

Van liberalen zegt men al eens dat ze vies zijn van regels. Regulering. Regelneverij. Kleine lettertjes. Vaak met goede redenen. Hoewel liberalen niet tegen regels in de brede zin van het woord zijn (wie gelooft nog in het fabeltje van de liberaal die spreekt van een atomair individu die doet wat hij niet laten kan?), heeft deze vaak wel een gezonde portie scepsis ten aanzien van regulering. Als de liberaal leest over EU-beleidsvoorstellen omtrent olijfolie, dan wordt deze groen in het gezicht, om vervolgens een tirade uit te spuien of te tikken over wat een nitwits, domoren of zelfs regelnichten er daar in die Commissie wel niet zitten. Eens onze uitgeraasde liberaal is gaan zitten, zal hij of zij soms wijzen op de kost en de compliance burden die regulering met zich meebrengt en dat dit niet noodzakelijk in het voordeel speelt van kleine ondernemingen. Met andere woorden, (over)regulering kan best wel eens welvaartsverminderende effecten hebben, soms zelfs al louter door de te grote kost die ze met zich meebrengen voor wie die regulering wil volgen.

In deze tekst willen we een stapje verder gaan. De auteur ontkent daarmee niet zelf nooit het woord ‘regelnichten’ in de mond genomen te hebben (integendeel). De idee van deze tekst vindt zijn oorsprong in de ondertussen niet-zo-heel-jonge financiële crisis waarover we nu soms voorzichtig horen zeggen dat deze misschien eventueel al een beetje voorbij aan het gaan is. Deze financiële crisis, met wortels in de Amerikaanse housing bubble, heeft een bijna ongeziene publieke verontwaardiging teweeg gebracht (niet onterecht natuurlijk). Voor vele stemmen was de grote boosdoener het ongereguleerde kapitalisme, de cowboykapitalisten. De crisis was het ultieme bewijs dat markten faalden. Was dit het einde van het marktdenken, was er nood aan een écht alternatief voor ‘markten’? Daar waar de liberaal groen zag van olijfolievoorstellen, zagen nu niet enkel sommige liberalen maar ook vele andere mensen robijnrood toen het werkelijke verhaal van de crisis langzaam naar boven kwam. Meermaals werden er dan ook voorstellen gelanceerd om die ongereguleerde financiële markten bijzonder aan de ketting te gaan leggen. Nood aan nieuwe regels, nieuwe waakhonden, wie weet zelfs nationalisaties van banken!

Zoals altijd het geval is, waren er ook meer gematigde stemmen in het debat die zich wel degelijk realiseren dat we tegenwoordig allesbehalve in een ‘vrije’ markteconomie leven, maar eerder een ‘gemengde’ economie: ondernemerschap is onderworpen aan belastingen en gelimiteerd door een moeilijk meetbare maar wel degelijk aanwezige reguleringsdruk, waarbij ondernemers handelen onder het toeziend oog van verschillende overheidsinstanties. Desondanks het feit dat deze mening al heel wat meer genuanceerd is dan de soms gehoorde “Weg met de vrije markt!”, zal deze blijven vasthouden aan de idee dat regulering wel degelijk een capabel middel is om marktfalen of ongewenste uitkomsten van het marktproces (denk aan negatieve externaliteiten) te verhinderen of te remediëren. Er is één vraag die echter vaak niet wordt gesteld, of waar er weinig aandacht aan wordt besteed. Hoe kunnen de regulerende actoren (geef toe, dat klinkt beter dan regelnichten) voldoende kennis tot hun beschikking hebben om effectieve regulering te creëren en te implementeren? Zijn er geen beperkingen?

Anders gezegd, met deze tekst willen we de idee van (overheids)regulering wat kritisch bekijken. Het doel van deze tekst is niet een pleidooi te brengen om komaf te maken met elke vorm van overheidsregulering, maar om even na te gaan welke vragen we ons kunnen stellen bij deze inmenging.

How do you know?

If we can agree that the economic problem of society is mainly one of rapid adaptation to changes in the particular circumstances of time and place, it would seem to follow that the ultimate decision must be left to the people who are familiar with these circumstances, who know directly of relevant changes and of the resources immediately available to meet them.” (Hayek, 1945)

Bovenstaande quote komt uit een van de meest bekende werken van F.A. Hayek, getiteld The Use of Knowledge in Society. Hij schreef dit stuk in de nasleep van wat nu bekend staat als de ‘socialist calculation debate’, wat plaats vond tijdens de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw. De inzet van het debat was de vraag of het mogelijk was om een economie centraal te plannen. Een andere grote naam aan de liberale kant van dit verhaal is Ludwig von Mises, op wiens werk Hayek heeft verder gebouwd. Daar waar von Mises argumenteerde dat het onmogelijk was om een economie te onderbouwen vanuit een centrale planningsperspectief door een gebrek aan private eigendomsrechten, gebruikte Hayek een meer ‘epistemisch’ discours. Het is onmogelijk om een economie rationeel centraal gepland te krijgen, omdat centrale planners met een kennisprobleem geconfronteerd worden.

Elke samenleving ziet zich met dit probleem geconfronteerd: de vraag is hoe om te gaan met kennis die niemand op zichzelf volledig bezit. Kennis (knowledge) is doorheen de samenleving verspreid en is al dan niet moeilijk overdraagbaar. Als we een rationele economische orde willen uitbouwen, dan ziet dit kennisprobleem zich enkel versterkt. Mochten we als samenleving een volledige kennis hebben van alle verlangens van verschillende individuën, van alle beschikbare technologie en grondstoffen … dan zou de uitbouw van zo’n rationele economische orde weinig meer zijn dan een oefening in logische ordening.

Maar dit is dan ook net het punt van Hayek: de kennis die nodig is om zo’n rationele economische orde uit te bouwen, is nergens ‘gecentraliseerd’ te vinden, ze bestaat enkel uit “dispersed bits of incomplete and frequently contradictory knowledge which all the seperate individuals possess.” Er zijn dan ook twee verschillende manieren om een rationele economische orde uit te bouwen, of dat minstens zo goed als mogelijk te proberen. De eerste is dat van een centraal geplande economie: dit betekent dat de beslissingen om schaarse grondstoffen, goederen en diensten gealloceerd te zien bij een centraal planningsorgaan ligt. De tweede is die van vrije competitie, vrije handel, waarbij die beslissingsprocedure gedecentraliseerd is, m.a.w. verschillende individuën (ondernemers, consumenten …). Het antwoord op de vraag welk systeem het best gebruik kan maken van de kennis over waar die schaarse grondstoffen, goederen en diensten gealloceerd moeten worden, beslist welk systeem het meest efficiënt is. De voorwaarde om efficiënt om te gaan met dat allocatieproces en de wijd verspreide kennis in een samenleving is of die kennis ter beschikking staat van het centrale of gedecentraliseerde beslissingsorgaan.

Hayek argumenteert dat, als we aanvaarden dat kennis in een samenleving verspreid is over verschillende individuën, een gedecentraliseerd beslissingsorgaan een betere optie is dan een centraal beslissingsorgaan. Anders gezegd, het kennisprobleem kan het best aangepakt worden in een economie die gekenmerkt wordt door vrije mededinging. Deze vorm van economische orde, decentralisatie, is het best in staat om zich aan te passen aan veranderingen in kennis van plaats, prijs, omstandigheden, vraag, aanbod … juist omwille van haar gedecentraliseerd karakter. Als kennis verspreid is over verschillende individuën, dan is het ook het meest efficiënt en zelfs meer logisch om hen te laten beslissen over allocatie, eerder dan een poging tot centralisatie te laten gebeuren. Niet enkel brengt dit de moeilijkheden van een bureaucratisch systeem en politisering met zich mee, het bemoeilijkt ook enige vorm van feedback over of de allocatie nu wel efficiënt is gebeurd.

Het punt van Hayek is dan ook simpel en heeft wel een vleugje gezond boerenverstand. Beslissingen gebeuren best door de mensen die er het meest geschikt voor zijn. Zij hebben de meest efficiënte toegang tot kennis en hebben vaak toegang tot betrouwbare feedbackmechanismes, zoals bijvoorbeeld prijzen, en kunnen zich het snelst aanpassen mocht er iets fout lijken te gaan. Let wel op dat dit niet betekent dat individuën het kennisprobleem oplossen. Het gaat erom welke vorm van economische orde het best geschikt is om met dat kennisprobleem om te gaan, waarbij decentralisatie de beste keuze is.

Maar het belang, of beter het nut van decentralisatie blijft een eerder abstracte bedenking als we het hebben over regulering. Het argument draagt een belangrijke les met zich mee, maar het is niet het enige punt wat hier van belang is. Als we weten dat individuën geconfronteerd worden met dit kennisprobleem, dan weten we dat ook de mensen die de reguleringen creëren en opleggen daarmee moeten omgaan. Om maar een voorbeeld te geven, het feit dat de financiële crisis plaats heeft kunnen vinden binnen een bestaand regulatory framework betekent dat ook die regels hun doel niet hebben kunnen verwezenlijken. De meest belangrijke les die we hieruit kunnen leren is dat de ‘regelaars’ ook maar mensen zijn die niet meer weten dan de mensen aan wie ze regels opleggen. Alwetendheid is enkel God gegeven, dat weet elke brave Vlaamse schoolgaande ziel. Hier zien we het kennisprobleem terugkeren, maar deze keer binnen een gecentraliseerde context. Dit betekent dat, zelfs als er een failsafe manier zou zijn voor een gecentraliseerde actor om de juiste kennis te verzamelen, er nog problemen mogen zijn als het gaat om feedback – de vraag hoe men kan nagaan of de regulering wel zijn doel bereikt (zonder dat er bijvoorbeeld eerst sprake moet zijn van een crisis) en, als er problemen zijn, de regulering opnieuw aangepast kan worden. Ook daar speelt het kennisprobleem immers opnieuw een rol.

Onbeperkt design?

Maar het kennisprobleem is niet de enige uitdaging waar een regulerend orgaan mee geconfronteerd wordt. Hun ‘product’, namelijk een rationeel design, een rationele regulering, heeft inherente grenzen. Regulering is een bewust product van een regulerende instantie, wat betekent dat het effect wat beoogd wordt dan ook de intentie is van dat design. Maar er zijn drie premissen die dat idee onderbouwen. Een, de regulerende actor handelt instrumenteel. Twee, de regulerende actor heeft enigszins zicht op wat er in de toekomst zal gebeuren. Drie, de regulering brengt geen ongewilde gevolgen teweeg. We kunnen elk van deze premissen in vraag stellen, wat dan ook betekent dat we regulering op zich als rationeel menselijk design (en haar effectiviteit om bepaalde doelen te bereiken) in vraag kunnen stellen.  De eerste limiet op de effectiviteit van regulering is dat regulerende actoren niet altijd instrumenteel handelen. Dit betekent dat de regulering is opgesteld op een manier waarvan verwacht wordt dat bepaalde gevolgen bereikt worden. Wat we echter zien is dat, in sommige gevallen, er eerder wordt gereguleerd niet vanuit een instrumenteel kader, maar vanuit een ‘ought’ kader. In zulke gevallen is de kans groter dat reguleringen dysfunctioneel zullen zijn.

De tweede beperking hangt samen met de beperkte tijdsvisie van politieke actoren. Het is van belang dat langetermijngevolgen vaak een bijproduct kunnen zijn van politieke actie die eerder georiënteerd is op kortetermijngevolgen. Dit laatste is ook niet zo heel verwonderlijk. Binnen een democratisch bestel als het onze zijn electorale cycli een regelmatig fenomeen. Dit geeft in zekere zin niet bepaald een incentive om aan langetermijngevolgen te denken – bijvoorbeeld bij beleidsbeslissingen zoals het oprichten van een regulerend orgaan. Je zou zelfs kunnen stellen dat omwille van het loutere feit dat electorale cycli een regelmatig fenomeen zijn, kortetermijnpolitiek meer succesvol kan zijn (denk maar aan wat we ‘steekvlampolitiek’ noemen) dan politici die rekening willen houden met de lange(re) termijn.

Een derde beperking heeft te maken met ongewilde gevolgen van een regulering. Ook al zouden politieke of regulerende actoren instrumenteel handelen en bovendien zoveel als mogelijk rekening willen houden met langetermijngevolgen, dan nog zijn zo’n gevolgen bijna onvermijdbaar. Dit houdt dan ook sterk verband met het hierboven beschreven kennisprobleem bij zowel centralisering als decentralisering. Ook individuele actoren die zelf keuzes maken over hoe wel of niet te handelen, lopen het risico geconfronteerd te worden met gevolgen die ze niet gewild of voorzien hadden. Bij regulering wordt dat risico echter alleen maar vergroot, omdat de gewilde of ongewilde gevolgen nu noodzakelijkerwijze een grote groep mensen bestrijken.

Besluit

Er zijn dus wel degelijk een aantal bedenkingen die we altijd in ons achterhoofd kunnen houden als het gaat om top down regulering. We moeten ons altijd de vraag stellen of de overheid wel de juiste instantie is om een bepaalde activiteit te reguleren en of, als ze dat doet, er wel voldoende rekening wordt gehouden met al dan niet ongewilde gevolgen. Misschien moeten we ons de vraag stellen of een overheid überhaupt wel juist geplaatst is om dergelijke regels uit te vaardigen?

 

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.
Artikel van de week: Free Speech in Australia – A Contemporary Distopia
7 december 2014
Door Tristan Vandevelde

In the afternoon one hears sound messages from the government through the speakers in the streets and in the stations, posters of the Queensland Government are everywhere you can look and advertisements for cigarettes and alcohol are prohibited in any form. As entering bars or clubs is prohibited after 3 am, it is nothing short of a curfew. You may suspect I’m talking about the time of prohibition in the United States, or the martial law in the Second World War. Nothing, however, is farther from the truth than that. This is the daily life in Australia.

Comparing countries through governmental indoctrination, Australia would definitely make the top of the list. On several fields, North Korea has a lot more freedoms, which is saying something. One of the most shocking anti-freedoms in Australia, however, is the prohibition of thinking and acting as you see fit. The Racial Discrimination Act, more specifically section 18C, has been in effect since 1975 and is a law that simply deprives Australian citizens of their free speech. The act states that it is prohibited to “do an act, otherwise than in private, if: (a) the act is reasonably likely, in all circumstances, to offend, insult, humiliate or intimidate another person or a group of people” – thus when the motive for the act could somehow be considered as an idea of discrimination. This makes it quite literally possible for people to sue each other for an argument they had, or a statement one of them has made. The worst aspect of this situation, is that people effectively sue each other for this, and win these trials. Anything that can possibly be interpreted as offending, based on discrimination can land you a conviction.

This makes for a social situation, which is all but pleasant. First of all, people simply can’t properly live together, as they are in constant fear of being outlawed, for whatever they do or say. After all, what could not be interpreted as insulting on the basis of discrimination? But next to depriving citizens of the possibility to live together with a certain tolerance, it also prevents the political system from functioning in a desirable matter. As such, Andrew Bolt, a political journalist, has been convicted of breaching the Racial Discrimination Act over two articles he wrote. The consequence of this absurd law is clear as ever; the prohibition of free speech prevents healthy debate about public issues from being established. In a society where people from aboriginal origins by law receive benefits over other citizens (for the only reason of a historical feeling of guilt), it is not even possible anymore to talk about this issue, let alone adapt the law to an equal treatment of all people.

I have now only to hope that I don’t land two months in jail for writing this.

 

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.
Artikel van de week: Vet- & suikertaks
30 november 2014
Door Dries De Maesschalck

Het kon weer niet anders, ook in ons land wordt er ondertussen nagedacht over een ‘vet- en suikertaks’. De redenering is vrij eenvoudig, van vet eten word je dik, dik zijn is ongezond en ongezonde mensen betekenen kosten voor de alomgeprezen welvaartstaat.  Het volstaat ondertussen niet meer dat rokers zich blauw betalen aan een pakje sigaretten, ook mensen die vettige of zoete dingen willen eten zullen dieper in hun portemonnee moeten grijpen. Allemaal voor de volksgezondeheid natuurlijk, voor het algemeen belang!

Zo ongeveer de helft van de volwassenen in ons land zou te veel wegen, uiteraard ligt ongezonde voeding aan de basis van dit probleem. Hartziekten, diabetes, beroertes en zelfs sommige kankers komen veel vaker voor bij, excuses voor de harde term, dikke mensen. Blijkbaar hebben we ondervonden dat de terugbetaling van allerlei behandelingen voor deze ziektes een serieuse tragedy of the commons met zich meedraagt. Net zoals rokers veel kosten aan de samenleving, en dus een stevig centje meer moeten bijdragen dan de gemiddelde niet roker, dienen mensen die veel vethoudende producten consumeren ook maar wat meer betalen, zo luidt de redenering dan. In plaats van het structureel probleem op te lossen komt men hier, weeral, voor de dag met een lapmiddel voor een falende welvaartstaat met bijzonder weinig originaliteit.

Blijkbaar kan het niet zijn dat mensen die ziekten hebben, waarvan de kans groot is dat hun eigen gedrag daar de oorzaak van is, de kosten voor de behandeling afschuiven op de sociale zekerheid. De oplossing zou dan zijn dat die mensen de kosten voor hun behandeling zelf dragen, niet door gewoon de behandeling te betalen, maar via belastingen op de ongezonde producten die ze kopen. Hoewel de probleemstelling, dat mensen niet meer verantwoordelijk zijn voor hun eigen daden, inderdaad een correcte probleemstelling is, is een extra belasting ver van de ideale oplossing.

We dienen toch eens na te denken over waar dit ons naartoe kan leiden. Deze belasting heeft als doel ons weg te houden van bepaalde producten en een daarmee geassocieerde levensstijl. Het is de bedoeling ons een bepaalde norm op te leggen, die van een gezonde levenswijze, wat dat juist inhoudt zal wel van bovenaf bepaald worden en moet dan maar gevolgd worden. De vraag is: waar eindigt dit? Is een extra belasting op videogames het volgende? Deze zijn toch ook immers niet gezond? De btw op springtouwen en sportschoenen verlagen wordt dan ineens ook een optie, want die zorgen voor beweging, en dat is goed en gezond. Accijnzen op alcohol kunnen dan ook weer omhoog. In hoeverre laten wij toe dat de overheid ons leven stuurt en bepaalt?

Men lijkt er van uit te gaan dat de meeste mensen dom zijn en niet voor zichzelf kunnen beslissen, alsof de gemmidelde persoon niet doorheeft dat vet eten ongezond is. Met dit systeem scheert de overheid iedereen over dezelfde kam door ze nu reeds hun potentiële kost te laten betalen via belastingen (hoe de overheid die potentiële kost dan zal berekenen, zonder de werking van de markt, laten we hier zelfs even buiten beschouwing). Een beter en vrijheidslievender alternatief zou zijn de mensen zelf de keuze te geven om zich een ziekteverzekering aan te schaffen of niet. Mensen kunnen namelijk zelf het beste het risico dat ze lopen inschatten, en op basis daarvan beslissen om wel of geen vethoudende producten te consumeren, of zich te verzekeren tegen de mogelijke gevolgen er van. Iedere persoon is namelijk uniek, en kan, eventueel in overleg met zijn of haar huisarts, voor zichzelf de beste keuze maken. Eenzelfde regeling voor iedereen kan onmogelijk voor iedereen een goede regeling zijn, het zal voor de meeste mensen zelfs een zeer slechte regeling zijn. Het feit dat deze maatregel overwogen wordt in tijden van begrotingsmoeilijkheden, doet het er ook op lijken dat men gewoon op zoek is naar centjes. Het is betreurenswaardig dat onze vrijheid verder ingeperkt zou worden door nieuwe belastingen die zogenaamd “voor ons eigen goed” zijn bedoeld.

 

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.
Artikel van de week: Freya Mae en Bruno Bac – Creëert de Vlaamse overheid een Vlaamse kredietzeepbel?
23 november 2014
Door Pieter Vermeulen 

De financiële crisis van 2008 zindert nog steeds na in de Westerse economieën. Torenhoge overheidsschulden en de fragiele economische groei getuigen hier nog steeds van.  De wortels van deze crisis liggen in de Amerikaanse kredietcrisis. Er werden massaal leningen toegekend aan mensen die niet de financiële capaciteit hadden om deze leningen terug te betalen. Bovendien werd verkeerdelijk gedacht dat de huizenprijzen zouden blijven stijgen waardoor de leningen steeds door dwangverkopen konden worden terugbetaald.

Steeds meer mensen konden hun lening niet meer terugbetalen en meer en meer woningen werden op de markt gedumpt waardoor de woningprijzen begonnen te dalen. De kredietverstrekkers zagen een groot deel van hun kredieten niet meer terug en bleven achter met een zware financiële kater. De rest van de gevolgen zijn gekend.

Minder bekend is de rol van de Amerikaanse overheid, die kredietverstrekking aan insolvabele personen aanmoedigde onder het motto ‘housing for every American’. Dit gebeurde onder andere via twee semi- overheidsinstellingen: Fannie May en Freddie Mac. Deze instellingen kochten hypotheken op van andere kredietverstrekkers om ze vervolgens te poolen en door te verkopen met de garantie dat de afbetalingen van de hypotheken steeds betaald zouden worden[1]. Onder druk van de Amerikaanse overheid verlaagden deze organisaties hun criteria om hypotheken over te kopen. Hypotheekverstrekkers konden bijgevolg zeer risicovolle leningen steeds doorverkopen aan deze organisaties. In de meeste extreme gevallen spreken we van de zogenaamde NINJA-leningen: leningen voor mensen met No Income No Job or Assets. De Amerikaanse overheid beoogde een sociaal doel, namelijk meer mensen de mogelijkheid geven om een eigen woning te verwerven. De consequenties waren echter het verhogen van inflatie op de huizenmarkt en op die manier werd de basis gelegd voor de zwaarste financiële crisis van de afgelopen decennia.

Ook de Vlaamse regering heeft verschillende maatregelen getroffen die het kopen van een eigen woning zouden moeten promoten. Een van die systemen heet de sociale lening. Vlamingen kunnen een lening aangaan bij het Vlaams woningfonds of de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW). Deze leningen hebben een lagere rentevoet dan het markttarief. Hoeveel lager hangt af van het aantal personen ten laste of het lijden aan een zware handicap. Ook de voorwaarden verschillen van andere leningen op de markt. Mensen met hoge inkomens worden uitgesloten en het bedrag dat men kan lenen kan oplopen tot 100 procent van de aankoopsom van de woning, terwijl de meeste banken 20 à 25  procent eigen inleg eisen. Hierdoor zijn de banken beschermd tegen een milde waardevermindering van het onderpand. De Vlaamse overheid, ofwel de belastingbetaler, is niet beschermd tegen deze mogelijk waardeverminderingen.

De Vlaamse overheid verkoopt dus risicovolle leningen tegen een zodanig lage rentevoet dat er verlies op gemaakt wordt. Er is ook nog een ander effect, namelijk verhoogde inflatie op de vastgoedmarkt. Omdat meer mensen toegang krijgen tot een lening en tegelijk ook meer kunnen lenen vanwege de lage kostprijs, zal er meer vraag ontstaan op de vastgoedmarkt. Hierdoor zullen de vastgoedprijzen stijgen en zijn alle potentiële kopers slechter af. Het is moeilijk te bepalen hoe sterk dit effect is maar gezien er dit jaar maar liefst 814 miljoen euro naar deze sociale leningen vloeit, kan men ervan uitgaan dat dit effect significant is.

Vanzelfsprekend is de vraag naar deze leningen enorm. Al na de eerste paar maanden van dit jaar was het budget voor de leningen uitgeput en moest de Vlaamse regering het toekennen van sociale leningen noodgedwongen stopzetten. Vooral van linkse zijde kwam de oproep om het budget voor deze leningen te verhogen, maar ook van Open VLD kwam deze oproep bij monde van Mercedes van Volcem. In tijden van besparingen is het blijkbaar wel opportuun om geld te ‘investeren’ in het oververhitten van de vastgoedmarkt.

Naast de sociale leningen is er nog een anders systeem dat bijdraagt aan de stijging van de huizenprijzen, namelijk de woonbonus. Deze zomer is deze bevoegdheid overgeheveld van de federale naar de Vlaamse overheid. Ondanks uitvoerige debatten wordt het oude systeem grotendeels bewaard waardoor het kopen van woningen nog steeds sterk gestimuleerd wordt. Op het eerste zicht lijkt de maatregel inderdaad mensen te ondersteunen in de afbetaling van hun woning, maar dit zorgt tegelijkertijd voor een grotere vraag naar woningen waardoor de prijzen onvermijdelijk de lucht in gaan. Hierdoor wordt het ondersteunend effect voor een deel teniet gedaan en mist de maatregel zijn doel.

Er bestaan in Vlaanderen dus twee systemen die op hun eigen manier voor een verhoogde vraag en dus verhoogde prijzen zorgen in de vastgoedmarkt. De vastgoedprijzen worden dus op een kunstmatige manier hoog gehouden en dit kan een weerslag krijgen indien de maatregelen teruggeschroefd worden of door een plotse daling van de vraag. Een kredietcrisis van Amerikaanse omvang is weinig waarschijnlijk in het kleine Vlaanderen maar voorzichtigheid is geboden.

 



[1] Voor een beter inzicht in deze kredietsystemen verwijs ik graag naar ‘The big short’ van Michael Lewis.

 

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.
« Vorige items
Volgende items »