LVSV Leuven

Teksten

Veel kandidaten, weinig keuze
24 april 2017

Artikel Blauwdruk april 2017

Veel kandidaten, weinig keuze

Meningen in dit artikel zijn meningen van de auteur, niet noodzakelijk officiële standpunten van LVSV Leuven. (Arno Neukermans Bataillie – 05/04/2017)

 

Elf kandidaten dingen mee naar het Franse presidentschap, vijf van hen maken amper kans en halen met moeite 1% in de peilingen. Maar wie zijn ze en wat drijft hen? De affiches die ze in het land ophangen vertellen al een heel verhaal.

Nathalie Arthaud is de meest linkse van alle kandidaten, zij vertegenwoordigt Lutte Ouvrière, een communistische revolutionaire partij. Haar affiche is sober, rood met wit en bijbehorende slogan is ‘Les travailleurs n’ont pas à payer la crise du capitalisme’. In hetzelfde kamp zit Philippe Poutou van de Nouveau Parti Anticapitaliste. Hij gaat prat op zijn positie als arbeider en staker. Zijn slogan gaat ‘Nos vies, pas leurs profits!’, waarmee hij geen wij-zij verhaal uit de weg gaat. Zowel Arthaud als Poutou stellen dat de belangen van de arbeiders, werknemers en werklozen centraal moeten staan en de kapitalistische klasse van werkgevers, bankiers en politici hen uitbuiten. Hun voorstellen gaan van het afschaffen van het ontslagrecht en het openstellen van de grenzen tot de politie haar wapens ontnemen.

Jean-Luc Mélenchon is een radicaal-linkse kandidaat die een sterke populariteit geniet bij veel Fransen, zijn slogan is ‘La force du peuple’. Hij vaart een gematigdere koers en spreekt niet van revolutie, maar zijn standpunten zijn toch ook niet te onderschatten. Hij wilt uit de economische EU-verdragen stappen die de neoliberale elite oplegt, is tegen vrijhandel, wilt meer controle op kapitaalstromen en wilt hogere belastingen voor de rijken. Slachtoffer van Mélenchons populariteit is Benoit Hamon, de kandidaat van de socialisten. Hij valt openlijk het beleid van de voormalige socialistische president aan, maar krijgt zijn eigen campagne ook niet van de grond. Zijn slogan, ‘Faire battre le coeur de la France’, straalt zijn idealisme uit. Hij ijvert voor een basisinkomen dat hij zal financieren met een robottaks, een positie die velen afdoen als onuitvoerbaar, ook Mélenchon. En als zelfs iemand aan je linkerzijde een voorstel afschiet als dromerij, dan heb je wel een probleem.

Op (extreem-)rechts situeren zich vier kandidaten: Nicolas Dupont-Aignan, François Asselineau, Jacques Cheminade en Marine Le Pen. Dupont-Aignan komt op als soevereinist met zijn partij Debout la France. Hij omringt zich met vlaggen op zijn posters en heeft iets van een Le Pen light, met een minder sterk anti-migratie verhaal. Asselineau noemt zich ‘Le candidat du Frexit’ en gaat mee in anti-Amerikaanse complottheorieën. Cheminade is een vaste waarde als presidentskandidaat, hij doet immers al voor de derde keer mee. Deze verkiezingen gaat hij in met als slogan ‘Se libérer de l’occupation financière’ en stelt dat de financiële wereld ons onderdrukt, internationale instellingen de ontwikkeling verhinderen en de overheid moet investeren in grootse projecten die jobs opleveren zoals Mars koloniseren. Marine Le Pen is waarschijnlijk de meest besproken kandidaat, de nationaliste probeert te profiteren van een Trump- en Brexit-effect. Haar slogan gaat ‘Remettre la France en ordre’ en als law-and-order kandidaat wilt ze de grenzen sluiten, zwaardere straffen voor criminelen en de islamisering van Frankrijk stoppen. Ze noemt Frankrijk ‘de universiteit van het jihadisme’. Ze zal ook een Frexit-referendum organiseren. Haar economische plannen verschillen niet zo sterk van die van de radicaal-linkse Mélenchon. Ze wilt immers ook de pensioenleeftijd verlagen en een handelsbeleid voeren waarin protectionisme centraal staat.

De centrum kandidaat en grote favoriet is Emmanuel Macron. Op zijn affiches staat hij in een drukke straat en kijkt hij recht voor zich uit, hiermee straalt hij zijn kosmopolitisme en vooruitgangsstreven uit. Hij is een links-liberaal en zegt ‘La France doit être une chance pour tous’. Hij ijvert voor meer Europese integratie, meer vrijhandel, een gemengd economisch beleid, optimisme en een open samenleving. Hiermee probeert hij linkse en rechtse standpunten te integreren in zijn programma. Veel prominente leden van de PS volgen hem hierin, zodanig dat de partij dreigt uiteen te spatten. De onafhankelijke Jean Lassalle behoort ook tot het centrum en wilt het platteland als voornaamste niveau opwaarderen. Hij is trots op zijn roots als schapenherder en zal die mindset ook toepassen als president. Hij wordt gekarakteriseerd door zijn humor en zuiders accent, maar dat levert hem problemen op om serieus genomen te worden. De centrumrechtse kandidaat van Les Républicains is François Fillon. Hij combineert een economisch liberaal programma met radicale hervormingen en een ethisch conservatisme. Zo is hij tegen de volledige adoptie voor homokoppels en positioneert hij zich als praktiserend katholiek. Zijn campagne zit in het slop door de rechtszaak die tegen hem loopt. Dit tracht hij recht te zetten met een nieuwe slogan ‘Une volonté pour la France’ en door een imago te creëren van daadkrachtige doorzetter.

 

Het Franse presidentschap is een functie met nog steeds veel invloed, maar die veel van haar grandeur verloren heeft. Na 10 jaar van eerst rechts en dan weer links beleid lijken de Fransen het traditionele systeem beu. Volgens de peilingen van de laatste maanden zal geen kandidaat van de twee grote partijen, de Parti Socialiste en Les Républicains, in de tweede en beslissende ronde geraken. Het onderscheid tussen links en rechts staat ook zwaar onder druk door een nieuwe breuklijn, die tussen een open en een gesloten samenleving. Favorieten Emmanuel Macron en Marine Le Pen plaatsen zich zeer uitdrukkelijk op die lijn met de eerste als sterk pro-Europees en de tweede als anti-globalist. Puur liberalisme heeft het nooit gemakkelijk gehad in Frankrijk als ideologie. Met Macron en Fillon komen er toch een aantal principes naar boven. Bij de eerste dan vooral op het sociale vlak en de tweede op het economische vlak. Ze kunnen beiden nog wat van elkaar leren. Alleszins zal de volgende president(e) van Frankrijk een serieuze opdracht wachten om het vertrouwen van de Fransen in de politiek terug te winnen, de economie uit het slop te halen en Frankrijk internationaal op de kaart te zetten.

 

 

 

Artikel van de week: Hoeveel Griekse drama’s kan de Eurozone nog aan?
8 maart 2015
web-tueedcar27co1
Door Pieter Cleppe, oud-voorzitter van LVSV Leuven en vertegenwoordigt de onafhankelijke denktank Open Europe in Brussel.

Na de overwinning van Syriza in de Griekse verkiezingen, ontvangen de Europese politici de rekening voor het doorschuiven van de rekeningen sinds 2010 – toen het land voor de eerste maal ‘noodleningen’ ontving die uiteindelijk tot 240 miljard euro opliepen.
 
Wie gaat de confrontatie winnen? Syriza kan dreigen met een ‘default’, een niet-aflossen van de schuld. Dat zou de Europese belastingbetaler duur te staan kunnen komen, want private banken zijn er in geslaagd om de meeste van hun risico’s op die belastingbetaler af te wentelen, iets waarvoor we met Open Europe reeds waarschuwden toen dit gebeurde. Volgens schattingen zou Duitsland bij een Grieks faillissement nu tot 70 miljard euro schade kunnen lijden als gevolg van blootstelling aan bilaterale leningen, leningen via het Europees steunfonds EFSF en de acties van de ECB, die heel wat Grieks staatspapier bezit en ook claims op het Griekse bankensysteem heeft. Frankrijk riskeert 55 miljard euro, Nederland 15 miljard euro en ons land 9 miljard. Van de 322 miljard euro schuld moet Griekenland er maar liefst 72% betalen aan overheden, niet enkel eurolanden maar ook IMF-partners.
 
Dat zijn sterke troeven voor Syriza om schuldeisers ervan te overtuigen toch nog een nieuwe ronde miljardenleningen toe te kennen, of zelfs een ‘vrijwillige’ schuldverlichting, op dezelfde manier waarop private obligatiehouders het land ‘vrijwillig’ 100 miljard euro kwijtgescholden hebben.  
 
Aan de andere kant is het bij een Grieks faillissement echter ‘over en out’ voor socialisme in Griekenland. Het land zou het dan moeten stellen zonder noodleningen en zonder toegang voor de Griekse banken tot het goedkope geld van de ECB, om het dan snel naar de Griekse overheid door te sluizen. De Griekse rente om te kunnen lenen zou fors de hoogte in schieten. Syriza-leider Alexis Tsipras heeft bovendien snel geld nodig. Hoe snel is niet helemaal duidelijk, en het valt te verwachten dat er wel nog wat lijken uit de kast zullen vallen. Sommige topambtenaren van de eurozone beweren dat Griekenland al in maart zonder geld zit. In elk geval is tegen de zomer een grote deal nodig.
 
Naar verluidt is de Duitse bondskanselier Angela Merkel vast van zin om deze keer niet toe te geven, omdat de kost van een Griekse exit volgens haar lager zou zijn dan toegevingen doen. Dat laatste zou immers andere landen die in de problemen zitten op slechte ideeën kunnen brengen.

Toponderhandelaars waarschuwden net voor de verkiezing dat een nieuwe Griekse regering zelfs een verlenging van het huidige steun-programma zal moeten vragen, wil ze al het geld daaruit ontvangen. Dat ligt moeilijk bij Syriza, want aan een programma zitten voorwaarden.
Syriza vraagt een schuldverlichting, om de Griekse schuld, die nu hoger ligt dan 170 procent van het BBP, tot een beheersbaar niveau te brengen. Daarop toegeven is pijnlijk, ook al omdat bijvoorbeeld de regering-Leterme ooit suggereerde dat we wel eens zouden verdienen aan de Griekse noodleningen. Misschien wordt het compromis dus wel een combinatie van lagere rentevoeten op de oude leningen, zodat het hoge schuldniveau makkelijker beheersbaar is, en een nieuw miljardenpakket, wat op korte termijn goedkoper uitkomt dan schuldverlichting.
 
Het gevolg van zo’n compromis zou zijn dat er aan het onderliggende probleem opnieuw niets wordt gedaan. Griekenland slaagde er vorig jaar in om opnieuw economische groei te creëren, maar dat ging met grote buitenlandse begrotingssteun gepaard en was na jaren van pijnlijke economische krimp, wat een groot deel teniet deed van de kunstmatige economische ontwikkeling als gevolg van de ECB-kapitaalsstroom naar het Griekse bankensysteem. Niet echt een duurzaam ontwikkelingsmodel. Kan dat blijven duren enkel en alleen omdat het alternatief op korte termijn erger is?
 
Dat alternatief is immers dat er geen akkoord uit de bus komt en dat Griekenland de eurozone verlaat, wat gepaard zou gaan met een faillissement, grote verliezen voor de andere eurolidstaten en het begin van een enorme speculatie over wat het volgende land zou kunnen zijn. Al is er ook een volgens sommigen minder pijnlijk alternatief: dat van een uitstap van de sterkere landen, zodat zwakkere landen eindelijk een echte devaluatie van de munt kunnen uitvoeren en hun excessieve schulden niet opeens in een vreemde, sterkere munt dienen terug te betalen. Misschient wint Syriza het pleit deze keer wel omwille van de vrees voor verandering, maar hoeveel Griekse drama’s kan de eurozone nog verdragen voor echte alternatieven worden overwogen? Het is geen toeval dat de anti-euro-partij in Duitsland de naam ‘Alternative für Deutschland’ draagt. Van voormalig Nederlands Minister van Financiën Jan Kees de Jager weten we ondertussen dat niet enkel Nederland een plan klaar had om de eigen munt terug in te voeren drie jaar geleden, maar dat ook Duitsland bij die voorbereiding was betrokken.
 

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Een open vraag aan de Pikettyianen
22 februari 2015
Piketty[1]
Door Xavier Meulders

Thomas Piketty’s Kapitalisme in de 21ste eeuw vormt een rijke voedingsbodem voor beleids- en opiniemakers van allerlei slag om een egalitaristisch discours te bepleiten. Afgaande op de uitgebreide aandacht die het boek en de man in zowel vaderlandse en buitenlandse media te beurt vallen lijkt het egalitarisme de wind in de zeilen te hebben. Het zou me in ieder geval niet verbazen mocht men bij de studiedienst van CD&V het lijvige werk van Piketty aandachtig gelezen hebben om als een donderslag bij heldere hemel een vermogensbelasting op de regeringstafel te gooien. Een centrale stelling van Piketty is immers dat enkel een wereldwijde kapitaalsbelasting de uitwassen van kapitaalconcentratie in oligarchische handen kan vermijden.

Critici hebben zich tot nu toe vooral gebaseerd op het empirische veldwerk van Piketty. Ik ben verre van voldoende competent of economisch alfabeet om me in deze discussie te mengen. Waar ik me daarentegen op focus is de stelling van Piketty en zijn volgelingen dat de groeiende ongelijkheid een probleem is dat via bepaalde beleidsmaatregelen – zoals een vermogensbelasting – moet worden bestreden. Stellen dat iets een probleem is houdt immers een normatieve evaluatie van een bepaalde stand van zaken in.

In wat volgt zal ik noodzakelijkerwijze abstractie maken van de diverse soorten politiek-filosofische egalitarismen die worden verdedigd: uitkomstegalitarisme zoals dit door neomarxisten als G.A. Cohen wordt uitgewerkt opereert binnen een filosofisch paradigma dat gelinkt doch fundamenteel verschillend is van een ‘liberaler’ opportuniteitsegalitarisme. Mijn kritiek focust zich hoofdzakelijk op het eerste type egalitarisme.

In wezen gaan egalitaristen ervan uit dat er een link bestaat tussen sociale onrechtvaardigheid en materiële ongelijkheid. Voor de strikte egalitarist is deze link niet louter correlatief, maar bestaat er zelfs een equivalentie tussen beide begrippen: als en slechts als de verdeling van de materiële bronnen in een samenleving gelijk is kan er sprake zijn van rechtvaardigheid.

Een aanzet om die link te maken vinden we terug bij de egalitaristische (van het tweede type!) filosoof John Rawls die stelde dat “de natuurlijke verdeling rechtvaardig noch onrechtvaardig is. Noch is het onrechtvaardig dat een persoon in een samenleving in een bepaalde maatschappelijke constellatie wordt geboren: dit zijn eenvoudigweg natuurlijke feiten.” Rawls voegt hier tevens aan toe: “Wat rechtvaardig of onrechtvaardig is, is hoe maatschappelijke instituties met deze ongelijkheden omspringen.”

Wat verstaat Rawls onder ‘natuurlijke feiten’? Dit kan alles zijn wat ons door Moeder Natuur te beurt valt: behept zijn met een handicap, getroffen worden door een ongeneeslijke ziekte of slachtoffer zijn van een natuurramp; dit zijn maar enkele vrij dramatische voorbeelden. Aan de ‘pluszijde’ vinden we echter ook enkele gunstige tekenen van het lot, zoals begiftigd zijn met een geniaal ondernemerstalent, behoefte hebben aan weinig slaap om de dag door te komen of erfgenaam zijn van een rijke overleden suikertante. Aan natuurlijke feiten hebben we geen verdienste: we kunnen immers niet verantwoordelijk worden gesteld voor de wispelturige capriolen van Vrouwe Fortuna.

De ondefinieerbaarheid van een definitie

Ik ben het volmondig eens met Rawls’ descriptieve analyse, maar deel niet de normatieve conclusie die hij en andere egalitaristen eruit zouden trekken: er bestaat geen intrinsieke link, laat staan een congruente overlapping, tussen beide begrippen.

We kunnen deze boude stelling inzichtelijker maken door een op het eerste zicht verrassende omweg te maken. Een omweg die ons niet alleen naar de beroemde Engelse universiteitsstad Cambridge voert, maar ons eveneens een sprong in de tijd naar het jaar 1903 doet maken, alwaar een filosoof met de illustere naam George Edward Moore zijn boek Principia Ethica publiceert.

Vandaag de dag valt Moore ietwat tussen de plooien van de filosofische canon, maar zijn invloed op de (normatieve) ethiek is allerminst gering geweest. In zijn werk, dat indirect gelezen kan worden als een aanval op het dan dominante utilitarisme (de idee dat het goede gedefinieerd kan worden in termen van al dan niet lichamelijk genot), besteedt Moore uitvoerig aandacht aan een terminologische analyse van het begrip “goedheid” en andere gerelateerde normatieve begrippen zoals “rechtvaardigheid” en “juistheid”.

De verrassende conclusie van Moore’s analyse is echter dat “goedheid” niet kan worden geanalyseerd, zoals bijvoorbeeld de utilitaristen stelden. Om deze idee kracht bij te zetten lanceerde Moore een gedachte-experiment dat bekend staat als het open vraag-argument (‘open question argument’). Stel dat ik weet dat een schaakbord vier hoeken heeft. Dan zou een potentiële gesprekspartner verbaasd opkijken mocht ik vragen of het schaakbord rechthoekig zou zijn: uit de definitie van ‘rechthoekig’ blijkt immers dat dit van toepassing is op eender welk object dat vier hoeken heeft. Gelijksoortige vragen zoals “Deze man is vrijgezel, maar is hij gehuwd?” zouden evenzeer de wenkbrauwen doen fronsen. Moore noemt deze type vragen gesloten vragen: uit de gebruikte termen kan de betekenis immers worden afgeleid. Einde discussie. Hetzelfde geldt ook voor vragen die naar een descriptieve, synthetische definitie peilen: “water is H₂O” kan niet uit de betekenis van de termen worden afgeleid (we kunnen ons immers perfect voorstellen dat tot aan de Industriële Revolutie de chemische samenstelling van water onbekend was), maar het is niettemin ook een gesloten vraag omdat “H₂O” een verwijzende functie heeft. Het verrijkt onze kennis over het begrip “water”.

In gesloten vragen kunnen het te verklaren en verklarende begrip in functie van elkaar worden begrepen. Open vragen hebben daarentegen een volledig andere structuur. “Was Nelson Mandela een rechtschapen man?” of “Is abortus moreel verwerpelijk?” zijn open vragen omdat de concepten die in de definitie gebruikt worden geen eenduidig antwoord kunnen bieden. Bovendien is het niet mogelijk om evaluatieve concepten zoals “rechtschapen” of “moreel verwerpelijk” in descriptieve termen te vatten. Doe je dat toch – door bijvoorbeeld de rechtschapenheid van Nelson Mandela te definiëren in termen van zijn natuurlijke kwaliteiten (grootte, leeftijd, dingen die hij heeft gedaan,…) – dan bega je wat Moore een naturalistische dwaling (‘naturalistic fallacy’) noemde. In de kern komt het er immers op neer dat een potentiële gesprekspartner kan blijven doorvragen of de definitie wel écht verwijst naar, bijvoorbeeld, rechtschapenheid of goedheid. Dat naturalisme heeft overigens niet uitsluitend betrekking op tijd-ruimtelijke dingen in de wereld. Ook een metafysische definitie van goedheid – in termen van de wil van God, bijvoorbeeld – bezondigt zich aan de naturalistische dwaling.

Moore’s conclusie is dan ook messcherp: het goede kan niet worden geanalyseerd. “Indien ik de vraag ‘wat is goed?’ voorgelegd krijg, is mijn antwoord dat goed goed is; dat is alles. Indien de vraag ‘hoe moet goedheid gedefinieerd worden?’ zou zijn, antwoord ik dat het niet kan worden gedefinieerd, en dat is alles wat ik erover te zeggen heb.”, is dan ook de bekendste passus uit de Principia Ethica.

Egalitarisme als naturalistische dwaling

In het licht van bovenstaande reflecties wordt duidelijk waarom de egalitaristische idee dat feitelijke ongelijkheden moeten worden gecompenseerd, zoals blijkt uit het eerder aangehaalde citaat van Rawls, onaanvaardbaar is: het idee is immers geschoeid op dezelfde naturalistische leest als bijvoorbeeld utilitaristische filosofieën. Erger nog: voor iedere naturalistische definitie die geen verwijzende betekenis vastlegt kunnen we immers ad infinitum een nieuwe definitie toevoegen om toch de betekenis van wat goed is onder begrippen te brengen. Dat is tenslotte het inzicht dat het open vraag-argument ons bijbrengt. Concreet houdt dit in dat we “een gelijke verdeling van materiële welvaart is goed” perfect kunnen vervangen door “een verdeling op basis van verdienste is goed” of “een verdeling op basis van kop of munt gooien is goed”. Een naturalistische definitie wordt op die manier inflatoir en zelfs triviaal.

Een criticaster zou me natuurlijk voor de voeten kunnen werpen: “U kunt dan misschien wel adept van Moore zijn, u gooit wel een traditie van meer dan tweeduizend jaar wijsbegeerte op de schroothoop door te ontkennen dat rechtvaardigheid en gelijkheid ook maar iets met elkaar te maken hebben. Zoals Aristoteles al wist…” Ah, Aristoteles meende inderdaad volkomen terecht dat “het onrechtvaardige het ongelijke behelst, en het rechtvaardige het gelijke.” Maar dat is niet hetzelfde als het (on)gelijkwaardige, en in Aristoteles’ visie kon die gelijkheid teruggebracht worden tot de redelijke natuur van de mens. Wat een normatief, niet-naturalistisch begrip is!

Kortom, het egalitarisme is dus normatief ongewapend omdat het op een naturalistische dwaling berust. Hoe kan het ook anders? Niet alleen welvaart, talent, kapitaal en andere mooie vruchten zijn ongelijk verdeeld in deze wereld. Dorre distels zoals ongeneeslijke ziekten en rampspoed zijn dit ook. Nochtans hoor ik, gelukkig maar, geen enkele egalitarist ervoor pleiten om bij een gezond persoon een been af te zetten ter compensatie van de ledematen die een oorlogsslachtoffer heeft verloren – wat nochtans perfect binnen het egalitaristische paradigma zou passen. Zou het niet kunnen dat Piketty en de zijnen pleiten voor een distributie van zaken die als intrinsiek waardevol kunnen worden beschouwd? En zou het niet kunnen dat hun jeremiade over de toenemende ongelijkheid in de wereld op argumentatief drijfzand is gebaseerd? Dat is een open vraag die vooralsnog onbeantwoord blijft.

Xavier Meulders

Master in de wijsbegeerte (KULeuven)
Bestuurslid Murray Rothbard Instituut vzw

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Out with the old, in with the new
1 februari 2015
bastiat
Door Dimitri Van Becelaere

Traditionele spelers binnen een bepaalde economische sector hebben het niet altijd begrepen op nieuwe, innovatieve concurrentie. De afgelopen maanden werden in België zowel de taxi-app Uber als de toeristische website AirBnB onder vuur genomen. In Frankrijk moest ook het online shopping-platform Amazon het ontgelden. Hoewel het internet de mogelijkheid schept om alles veel vlotter, minder omslachtig en goedkoper te maken, zien gevestigde taxibedrijven, hotels, boeken- en muziekwinkels deze innoverende manier van werken vooral als een gevaar voor hun voortbestaan. Het is inderdaad vaak een kwestie van aanpassen of uitdoven, de consument zal immers bepalen welke dienst het best aan zijn wensen voldoet Toch zien we dat deze marktwerking vaak verstoord wordt. Zo kan de concurrentie door de overheid verstoord worden aan de hand van taksen, geboden of het simpelweg verbieden van de diensten van de nieuwe concurrent. Dat laatste is het geval voor Uber dat geen taxidiensten meer mag leveren binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat de gevestigde taxibedrijven hierbij winnen en Uber hierbij verliest, is duidelijk. Maar vaak staan we niet stil bij het feit dat het vooral de consument is die verliest. Zijn keuzemogelijkheden worden beperkt gehouden terwijl hij idealiter geprofiteerd kon hebben van betere en/of goedkopere taxiritten, dit naargelang hoe hij de taxidiensten van Uber weet te appreciëren.

In 1845 schreef de Franse econoom en parlementslid Frédéric Bastiat een parabel over deze vorm van marktverstoring, De kaarsenmakerspetitie. Deze parabel is een open brief gericht aan de Franse volksvertegenwoordigers tijdens de Juli Monarchie. De opstellers van de brief zijn kaarsenmakers, producenten van was, olie, straatlantaarns, etc. Kortom, iedereen die iets te maken heeft met artificieel licht. Hun vraag aan het parlement is simpel: ze willen dat de overheid ervoor zorgt dat het zonlicht verboden wordt. Zij zien de zon als een oneerlijke concurrent die heel wat opportuniteiten wegneemt voor de kaarsenmakers. Mocht de zon er niet zijn, dan zou de hele productieketen met betrekking tot het maken van artificieel licht floreren, wat de economie en het land ten goede zal komen, zo redeneren ze. Absurd als deze tekst moge zijn, het is duidelijk dat de onderliggende idee na meer dan 150 jaar nog steeds relevant is.

De kaarsenmakerspetitie: http://bastiat.org/en/petition.html

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Pensioenen
25 januari 2015
pensioenen
Door Dimitri Van Becelaere

De pensioenproblematiek wordt met de dag reëler maar er wordt weinig actie ondernomen. Het probleem is van die omvang dat men zelfs geen poging lijkt te ondernemen om het op te lossen. De ‘spread’ tussen de gemiddelde levensverwachting en de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd is sinds 1970 toegenomen van ongeveer 7 jaar tot bijna 20 jaar. De vergrijzingskost zal tegen 2030 met 6 procent van het BBP toenemen en tegen 2060 met meer dan 10 procent van het BBP. Even ter vergelijking, dit zijn ongeveer de totale inkomsten van de personenbelasting in België. Iedereen die naar de cijfers kijkt zal begrijpen dat het onmogelijk is om het pensioensysteem in zijn huidige vorm te behouden. De vraag is dus wat we er aan gaan doen.
De eerste mogelijkheid is niets doen en de pensioenen braaf uitbetalen tot de Belgische overheidsfinanciën zodanig in de problemen komen dat we als land failliet gaan. De meeste mensen zullen de nadelen van deze optie wel inzien. Hoewel dit scenario met ons huidig politiek bestel plausibel is, zal ik het verder buiten beschouwing houden.
Een tweede optie is langzaam maar zeker de pensioenleeftijd verhogen en de pensioenen zelf verlagen. Dit is wat er zich momenteel afspeelt. Op deze manier houdt men mensen voor de gek en ontstaat er grote onzekerheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds meer mensen zelf beginnen te sparen voor hun pensioen. Dit ‘gerommel in de marge’ doet weinig aan de hoge kosten van ons pensioensysteem en brengt veel sociale onrust teweeg wanneer men opnieuw gaat ‘sleutelen’ aan de pensioenen.

Een liberale oplossing zou zijn om mensen zelf verantwoordelijk te stellen voor hun eigen pensioen. Er zijn weinig goede argumenten om een systeem te verdedigen waarbij gepensioneerden een claim kunnen leggen op de maatschappij om een inkomen te verkrijgen. Het Belgisch systeem is immers een pay-as-you-go systeem. Dit wil zeggen dat de bijdragen die men levert aan de sociale zekerheid gebruikt worden om de huidige pensioengerechtigden uit te betalen. Het is dus geen gemeenschappelijke ‘spaarpot’ waaruit je later jouw bijdrage uit kan terugvorderen.

Momenteel is het echter moeilijk om je eigen verantwoordelijkheid op te nemen. Er is geen mogelijkheid om je bijdrage aan de sociale zekerheid terug te vorderen om je eigen ‘spaarpot’ mee aan te leggen. De overheid legt ook restricties op aan het pensioensparen waardoor de keuzemogelijkheden op dat vlak ernstig beperkt worden. Realistisch gezien moeten we wel stellen dat het afschaffen van ons pensioensysteem politiek onmogelijk is.

Persoonlijk ben ik van mening dat we zouden moeten teruggrijpen naar het oude idee van het pensioen, namelijk als verzekering tegen ouderdom. De pensioenleeftijd van 65 jaar is niet toevallig gekozen. Dat was na de tweede wereldoorlog de gemiddelde levensverwachting. Het idee is dus dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun inkomen na hun actieve loopbaan, maar dat de overheid voor een verzekering zorgt tegen oud worden. Vandaag schommelt de gemiddelde levensverwachting rond de 80 jaar. Veel meer dus dan de wettelijke pensioenleeftijd van 65 en de effectieve pensioenleeftijd van 61. Laat het duidelijk zijn dat mensen niet tot hun 80ste zullen moeten gaan werken. Ze gaan wel verantwoordelijk worden gesteld om voor een eigen inkomen te zorgen na hun actieve loopbaan, waardoor er een goede stimulans is om langer aan het werk te blijven. Als men dan ‘onverwacht’ oud wordt, dan kan men rekenen op een pensioen.

Als men het oorspronkelijk principe van een pensioen als verzekering tegen ouderdom zou toepassen, dan is in één klap de hele budgettaire problematiek van de baan. De effectieve pensioenleeftijd in één keer met 19 jaar verhogen is echter onhaalbaar. Daarom mijn pleidooi voor een geleidelijke, maar snelle stijging. Verder is het ook belangrijk dat deze stijging duidelijk gecommuniceerd wordt zodat mensen weten waaraan ze zich kunnen verwachten. En zoals bij veel zaken (tevergeefs) wordt geroepen: hoe sneller men eraan begint, hoe beter.

De grafiek onderaan is een projectie van de extra pensioenkosten die ten laste komen van de Sociale Zekerheid met het huidig systeem.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Voltooi scheiding Kerk en Staat
18 januari 2015
Door Jitte Akkermans

(i) Inleiding

Samenvatting – Kerk en Staat zijn nog steeds verweven via het kleinste en meest vergeten lokale bestuur, namelijk de kerkfabriek, en via de financiering van de wedden en pensioenen van de bedienaren van de erediensten. De kosten van die regeling lopen behoorlijk op voor de belastingbetaler. Tevens zet dit aan tot discriminatie tussen de religies en inmenging in die religies. Dit artikel stelt een voltooiing van de scheiding tussen Kerk en Staat voor.

Opbouw – We bekijken eerst kort hoe de huidige regels tot stand kwamen. Daarna bekijken we hoe kostelijk die regels zijn en hoe ze aanzetten tot discriminatie en inmenging in religies. Tot slot doen we ook een voorstel om de scheiding tussen Kerk en Staat te voltooien.

(ii) Voorgeschiedenis

Een overheid is een historisch product dat de kenmerken van zijn geschiedenis met zich meedraagt. Wij overlopen in dit onderdeel kort de belangrijkste stappen die leiden tot de bestaande banden tussen de staat en bepaalde religieuze organisaties.

In het Ancien Regime had de Katholieke Kerk een geprivilegieerde status. Op basis daarvan kon ze welvaart verwerven die haar eenvoudigweg niet toekwam. De Franse Revolutie maakte daar een einde aan. In 1789 ontnam men de Kerk het recht om belastingen te heffen en werden de kerkelijke goederen geconfisceerd. In 1790 nam de Nationale Grondwetgevende Vergadering tevens een wet aan waarbij de priesters hun speciale rechten verloren.

In 1801 kwamen Napoleon en Paus Pius VII enkele compensaties overeen voor de nationalisatie in een concordaat. De overheid zou gedurende een slordige eeuw de gebouwen ter beschikking stellen aan de Kerk en alle grove herstellingen financieren. Daarnaast zou de staat de lonen van de pastoren op zich nemen. Die overeenkomst zou aflopen in 1905.

Het Keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de Kerkfabrieken zou een aantal van die afspraken omzetten in intern recht. De kerkfabriek werd een lokaal bestuur waarin vertegenwoordigers van de Kerkgemeenschap en lokale overheden samen o.a. het beheer van de kerkgebouwen zou verzorgen. Gemeentebesturen zijn volgens dit decreet verplicht om de tekorten van de kerkfabrieken aan te vullen, de pastoor of de bedienaar een pastorij te bezorgen, of, bij gebrek aan een pastorij, een vergoeding in geld te geven en bij te dragen tot de grove herstellingen van de tot de eredienst bestemde gebouwen. De provincies staan in voor de kathedralen en aartsbisschoppelijke paleizen. De bepalingen van dat Keizerlijke decreet bestaan vandaag nog steeds (in licht gewijzigde vorm) in de vorm van Vlaamse regelgeving.

Na de Belgische revolutie zou de Belgische Grondwetgever nog een stap verder gaan dan de compensaties die de Paus en Napoleon hadden overeengekomen. Voortaan zou de Belgische staat ook instaan voor de pensioenen van de bedienaren van de erediensten.

Er bestaat geen twijfel over dat tijdens de Franse revolutie onrecht begaan werd door de Franse revolutionairen tegen verschillende delen van de bevolking. Het is evenwel moeilijker te argumenteren dat de Katholieke Kerk haar eigendommen voordien rechtmatig had verworven en de confiscatie een inbreuk op een rechtmatig eigendomsrecht betekende. Zelfs als de Kerk haar eigendommen rechtmatig verworven waren, dan zijn de afgesproken compensaties reeds 100 jaar langer uitbetaald dan afgesproken. Ze zijn tevens hoger geweest dan afgesproken. Het is dan ook stilaan tijd om de overeenkomst te laten aflopen.

(iii) Huidige toestand

De huidige situatie wordt als problematisch ervaren. Kerk en staat zijn niet gescheiden. De religies worden niet gelijk behandeld. En de kosten van de huidige regelgeving lopen voor de gemeentes ook behoorlijk op.

Meer dan twee eeuwen na het Keizerlijk decreet verplicht Vlaanderen haar gemeentes nog steeds de tekorten op de begroting van de kerkfabrieken aan te vullen en bij te dragen tot grove herstellingen van de kerkgebouwen. Opmerkelijk, want voor de Paus was destijds 100 jaar inwoon en loon voldoende.

De kosten die de Vlaamse steden en gemeenten ondervinden is stevig toegenomen in het afgelopen decennium. In 2011 telden de Vlaamse gemeenten samen 70 miljoen euro neer. De stijging van de kosten is deels te verklaren door het dalend aantal gelovigen waardoor de tekorten op de werking, dat de lokale besturen moeten bijpassen, snel toeneemt. Ook stijgende verwarmingskosten, veroorzaak door de hoge olieprijzen in combinatie met de slechte isolatie van de kerkgebouwen, en de renovatiekosten duwen de rekening stevig naar boven. In mijn eigen thuisstad stegen de kosten in 2011 tot net geen 900 000 euro per jaar. Dat is een stijging van 94% t.o.v. 2007 en een stijging van 3825% t.o.v. 2001. Ook als we de renovatiekosten buiten beschouwing houden, was er een spectaculaire stijging waar te nemen. De exploitatiekosten van de kerkfabrieken stegen namelijk tussen 2001 en 2011 met 2776%. Sinds we de cijfers jaarlijks in de pers brengen, zijn ze wel weer beginnen zakken.

Het is overigens weinig verbazingwekkend dat kosten de pan uit swingen. Men kan immers de verliezen die gemaakt worden door de Kerkfabrieken omdat ze zich niet wensen aan te passen, gewoon naar de gemeentes doorschuiven. Men kan de moeilijke beslissing uitstellen en de kosten doorschuiven naar de belastingbetaler. Een derde betalersysteem zet aan tot onverantwoord gedrag.

Daarnaast blijkt de financiering van religies op praktische problemen te stuiten die een gelijke behandeling van verschillende religies bemoeilijkt. De erkenning van de Islam loopt bijvoorbeeld niet erg vlot omdat het systeem niet kan omgaan met het intern pluralisme dat de Islam kenmerkt. Men eiste namelijk dat ze een vergelijkbare georganiseerdheid hebben als andere erkende religies. Dat is niet alleen discriminatoir omdat de eis niet werd gesteld bij andere religies, maar tevens omdat het een onderscheid maakt op de wijze waarop religies georganiseerd zijn.

De wetgever heef getracht, voor de gelijke financiering, een organisatie aan de Islamitische gemeenschap op te leggen: de Moslimexecutieven. De overheid organiseerde en ondersteunde de verkiezing van de Moslimraad (die de Moslimexecutieven kiest) en kan een benoeming van een lid van de Moslimexecutieven vetoën op basis van een screening die er op gericht is extremisten te weren. Het feit dat de overheid hier oplegt aan een religieuze gemeenschap wie hen vertegenwoordigt, is in strijd zijn met de vrijheid van religie, en meer bepaald de vrije interne organisatie van die religies. Hiervoor kan verwezen worden naar twee arresten van het EHRM. In een eerste arrest (EHRM 14 december 1999, nr. 38178/97, Serif/Griekenland, r.o. 52) stelt het Hof dat het in een democratische samenleving niet noodzakelijk is dat men een religieuze gemeenschap onder één leiderschap samenbrengt. Een tweede arrest (EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, Hasan en Chaush t. Bulgarije, r.o. 62 en 78) bevestigt nogmaals dat zulks forceren een inbreuk is op de vrijheid van religie omdat “Where the organizational life of the community is not protected by Article 9 of the Convention, all other aspects of the individual’s freedom of religion would become vulnerable.”

Bij de erkenning en betaling van bedienaren van de erediensten blijkt er in de feiten ook een duidelijk verschil te zijn tussen verschillende religies. In 2011 zijn er meer dan 3000 katholieke priesters, 295 lekenconsulenten, 116 protestantse dominees, 49 orthodoxe popes en slechts 19 imams wiens loon werd betaald door het ministerie van Justitie.

Het concordaat is dan wel 100 jaar verstreken, de regels staan nog overeind en zijn aangedikt met nieuwe banden. De kosten van die regels lopen stevig op. De regels zetten tevens aan tot discriminatie tussen religies en bedienaren van verschillende erediensten evenals schendingen van de organisatievrijheid van die religies. Een voltooiing van de scheiding tussen Kerk en Staat dringt zich op om deze knoop te ontwarren.

(iv) Ontmantel de kerkfabrieken

Ook binnen de Kerk bestaat duidelijk een gewillig oor naar de onhoudbaarheid van de huidige toestand. In oktober van het jaar 2012 gaf Bisschop Bonny al aan dat hij mee wenste te denken over een oplossing door te suggereren dat Kerkfabrieken konden fusioneren en men op zoek kon gaan naar sponsors. Ook bij de Vlaamse regering werd er toen gekeken naar een herbestemmingsmogelijkheid. Evenwel lijkt men de scheiding tussen Kerk en Staat te willen voltooien. Nochtans is dat wat nodig is. Een beetje gemorrel binnen de huidige regels, lost de problemen uit het vorige onderdeel nochtans niet structureel op.

Een eerste maatregel die zich opdringt is het opheffen van art. 181 dat de wedden en pensioenen van bedienaren van de eredienst garandeert. Door de verschillen tussen de religies is een gelijke ondersteuning praktisch niet mogelijk gebleken. Het artikel verhindert dan ook een effectieve gelijke behandeling en is in zijn huidige invulling onverenigbaar met art. 10, 11 en 21 van onze Grondwet evenals art. 9 van het EVRM. Het idee dat we een regeling kunnen terugvinden die niet discriminatoir is, is illusoir. De enige manier om levensbeschouwingen gelijk te behandelen, is de individuele rechten van mensen te respecteren. Eenmaal men ze gaat ondersteunen, moeten er zovele beslissingen gemaakt worden die door het verschil in religies onmogelijk volledig gelijk kan gebeuren, dat discriminaties haast niet uit te sluiten zijn. Wie een werkelijke bescherming van de vrijheid van religie voorstaat, zal voor een negatieve invulling (vrijheid) eerder dan een positieve (ondersteuning) moeten kiezen.

Als we de Kerkfabrieken ontmantelen, kunnen we de scheiding tussen Kerk en Staat voltooien. Een kerkgemeenschap die daarna niet rondkomt met haar inkomsten, zal zoals elke vereniging moeten bekijken hoe ze zich kan reorganiseren. Enkele parochies hebben overigens grote reserves in hun patrimonium en kunnen hier op teren.

Als we moeten bepalen wie bij de ontmanteling van de Kerkfabrieken belandt, lijkt het toch belangrijk te zijn, er rekening mee te houden dat de Kerk een bedenkelijke eigendomstitel had voor de confiscatie en ze tevens twee honderd jaar herstellingen, loon en pensioen heeft gekregen. In deze lijkt de Kerk dan ook geen claim meer te kunnen leggen op de kerkgebouwen (tenzij ze natuurlijk 200 jaar compensaties wilt terugbetalen). De Staat hoeft geen kerken te bezitten en kan ze dan ook beter verkopen. Bij wijze van overgangsmaatregel kunnen de huidige gebruikers daarbij een voorkooprecht worden verleend. De opbrengsten van de verkopen kunnen best gestopt worden in schuldafbouw. Het private eigenaarschap zal tevens een efficiënte herbestemming van de gebouwen helpen faciliteren.

Na de ontmanteling zullen de parochies hun autonomie ook weer herwinnen. Als ze gebruik maken van hun voorkooprecht, kunnen ze vrij over hun gebouwen beschikken en zelf op zoek gaan naar creatieve methoden om dit te onderhouden. Ze kunnen naar oplossingen grijpen zoals het toestaan van een erfpacht, waarbij ze hun voorwaarden kunnen opleggen bij de herbestemming. In Mechelen vinden we zo bijvoorbeeld het Martin’s Patershof Hotel waar de oude eigenaar en nieuwe eigenaar elkaar konden vinden via een erfpachtovereenkomst. De kerk kreeg daar een nieuw leven als hotel.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

Artikel van de week: Cultuursubsidies
11 januari 2015
Landscape
Door Kathy Galloy

Moet de overheid bepalen wat cultuur is?

Zowel de Vlaamse als de federale regering zullen de komende jaren moeten besparen en dat zullen we allemaal geweten hebben. De luidste kritieken op deze besparingspolitiek komen onder meer uit de cultuursector, die het gemiddeld met 5% minder middelen zal moeten doen, volgens Vlaams minister van cultuur Sven Gatz. Minder cultuursubsidies zullen volgens de sector leiden tot een verschraling van het aanbod. Toegang tot verschillende soorten cultuur zal worden beperkt en enkel een elite zal het kunnen betalen, zo klinkt het bij monde van de oppositie. Een volgend argument dat ook wordt aangehaald is het feit dat de cultuursector niet zou kunnen overleven mocht de overheid ze niet subsidiëren. Het lijkt wel alsof cultuur in de loop der tijd een basisrecht is geworden waar iedereen toegang toe moet hebben zonder daarenboven er teveel geld aan te moeten uitgeven. Het tegendeel is echter waar.

“Niemand heeft het monopolie op goede smaak. Toch worden subsidies toegekend door commissies die menen dat zijzelf die goede smaak in pacht hebben en bijgevolg kunnen bepalen wat mensen goed horen te vinden.” – Peter De Keyzer

Met het geven van cultuursubsidies, wat inhoudt dat ze slechts aan een beperkt aantal organisaties wordt gegeven, bepaalt de overheid wat goede smaak is, wat cultuur is. Door het geven van financiële middelen aan bepaalde organisaties of evenementen, wil de overheid burgers overtuigen welke cultuur goed voor hen is en vooral welke niet. Wij kunnen namelijk niet zelf bepalen wat we leuk vinden. Het verschaffen van cultuursubsidies is daarom heel subjectief, want is het aan de overheid om te bepalen wat goed voor ons is op cultureel vlak? Dit daarentegen oplossen door de selectiviteit weg te halen is evenmin positief. Op die manier zou iedereen deze subsidies moeten krijgen, want wat is cultuur?

Het achterliggende principe achter cultuursubsidies is dat ze nodig zijn om mensen te kunnen laten kennismaken met cultuur. Een principe dat heel makkelijk kan worden weerlegd door slechts te kijken naar één fenomeen: Rock Werchter. Dit festival is voor hun financiële middelen niet afhankelijk van een overheid en toch blijft het jaar na jaar een recordaantal aan bezoekers halen. Hoe kan dit? Omdat mensen bereid zijn om te betalen voor iets wat ze de moeite vinden.
Een argument dat de cultuursector aanhaalt in het voordeel van cultuursubsidies is dat ze niet zouden kunnen overleven mochten ze niet financieel worden geholpen door de overheid. Ook dit argument valt makkelijk te weerleggen als we gewoon de vrije markt en het daarbij horende principe van vraag en aanbod laten spelen. Laat de burger zelf beslissen waaraan hij zijn geld wil spenderen, want laat ons vooral niet vergeten dat subsidies worden betaald met belastinggeld. Het is niet rechtvaardig om de gehele bevolking te laten opdraaien voor een goed waar slechts enkelen van genieten.

‘Cultuur zal uitgroeien tot een goed waar enkel nog maar de elite gebruik van zal kunnen maken’, klinkt het uit linkse hoek. Zoals in het begin van deze tekst al vermeld is cultuur geen basisrecht, laat staan dat de toegang tot cultuur een verworven recht is geworden. Wie absoluut een operavoorstelling wil bijwonen maar slechts beperkte middelen heeft, zal inderdaad een afweging moeten maken. Als dan blijkt dat de prijzen voor een operavoorstelling over het algemeen te hoog liggen, dan zullen cultuurhuizen zich wel degelijk aanpassen aan de markt en hun prijzen doen zakken. Ook hier speelt het argument mee van vraag en aanbod.

Middelen zijn schaars en geld vormt daar geen uitzondering op. Vandaar dit pleidooi om cultuursubsidies af te schaffen, of op zijn minst terug te dringen. Vandaar dit pleidooi om aan de burger de keuzevrijheid te laten om zelf te kiezen in welke cultuur hij wil investeren. Want geloof het of niet, burgers zijn wel degelijk in staat om zelf keuzes te maken.

Deze tekst vertolkt uitsluitend de mening van de auteur, en niet die van LVSV Leuven.

« Vorige items